You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Coming man Abe Geldhof presteert het om één jaar na De namen van het genot een tweede boek te presenteren. Hierin ontpopt hij zich bovendien als combinatie van kunstkenner, clinicus en lacaniaans schriftgeleerde. Dit laatste is niet evident, want volgens de Parijse meester is er dertig jaar nodig om zijn ‹onderwijs› te begrijpen (p. 30). Alleen met kunst is dan ook een intellectueel huzarenstukje dat in een precieuze en compacte taal — nu en dan zelfs met literair flitslicht — vaak duistere inhoud voor de dag laat komen. Na lectuur staan de kantlijnen van mijn exemplaar vol kruisjes, uitroep- en vraagtekens en wel precies in de optimale verhouding.
In een strak gecomponeerd drieluik loodst Geldhof ons langs Béla Bartók, David Nebrada en Georges Bataille. Middels close reading van hun leven en werk tracht hij psychoanalytische inzichten rond neurose, psychose en perversie aan de orde te stellen. De respectievelijke thema's seksualiteit, lichaam en dood die het oeuvre van deze drie figuren kenmerken, produceren een manco in weten en wetenschap. Ze bezorgen ons een trou (Frans: gat) of trauma waar geen mens ooit van geneest. We proberen dit gat of deze rest wel te dichten, maar het laat zich (per definitie) nooit (helemaal) schrijven of zeggen.
Ik verwijs vaak naar Hamlet: ‹Though this be madness yet there's method in 't.› Lacans begrippenapparaat biedt dan paradoxaal (zoals een paranoïde waansysteem) een bijna sluitend beeld van de singuliere