You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Ondanks pogingen van toonaangevende filmtheoretici als David Bordwell en Noël Carroll in de jaren negentig om ‹theorie› overboord te gooien, is de psychoanalyse toch steeds blijven drijven. De reddingsboei is mede toegeworpen door eerst Slavoj Žižek en later Todd McGowan, terwijl binnen documentairestudies — zoals Michael Renov constateert in zijn bijdrage aan de bundel Embodied encounters — in toenemende mate wordt erkend dat het ook bij politieke onderwerpen belangrijk is te weten hoe verlangen en overdracht werken: hoe wordt, via beeld, voiceover en geluid, identificatie met een sociaal gemarginaliseerde mogelijk gemaakt? De groeiende interesse vertaalt zich echter vooral in een herwaardering van Jacques Lacan. Die gerichtheid op Lacan, zo stelt samenstelster Agnieszka Piotrowska in haar introductie, heeft als gevolg gehad dat het lichaam en het lichamelijke zo goed als uit de psychoanalyse waren verdwenen. In de hoogtijdagen van de psychoanalytische filmtheorie leek taal, Christian Metz' The imaginary signifier indachtig, het alfa en omega te zijn, ten koste van het lichaam. Bovendien was er de neiging onder feministen om discussies omtrent seksueel verschil los te koppelen van kwesties van lichamelijkheid: gender was eerder een sociale kwestie dan een biologische. Bovendien plaatste filmwetenschapster Vivian Sobchack haar fenomenologisch georiënteerde studies in oppositie