You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De doodsdrift is al vaak dood verklaard, maar blijkt steeds opnieuw springlevend. De doodsdrift intrigeert, fascineert. Het concept van de doodsdrift, dat Freud introduceert in Aan gene zijde van het lustprincipe, is duister, complex en controversieel. Het is de uitwerking van Freuds intuïtie dat de psychoanalyse iets fundamenteels over het hoofd had gezien. Tot dan toe had de psychoanalyse zich vooral beziggehouden met de grote vragen van de neurose: hoe mag ik, hoe moet ik, hoe wil ik leven? In die vragen staat de seksualiteit centraal, de vrolijke stoet van al te menselijke onwelvoeglijke fantasieën. Maar daaronder bleek een meer fundamentele vraag te schuilen: wil ik wel leven? Het is de vraag van Hamlet, leven of niet, het is de verzuchting van het koor in Oedipus in Kolonos: « Beter ware het nooit geboren te worden. » Hier geen vrolijke stoet, maar een dodenmars van inertie, monotone herhaling, zelfvernietiging en alomvattende destructie.
Met zijn theorie van levens- en doodsdriften trekt Freud verschillende nieuwe sporen die hij echter niet altijd even consequent uitwerkt. Het spoor dat in latere jaren de boventoon voert, is dat van een doodsdrift als een autonome, niet-erotische agressie- en destructiedrift. Herlezing van Aan gene zijde leert evenwel dat wat Freud aanzet tot een herwerking van zijn driftentheorie niet te maken heeft met het probleem van de agressiviteit, maar veeleer met het tegenovergestelde: Freud is op een bevreemdende inertie gestoten die met geen lust te rijmen valt. Dit tweede spoor, de inertie, is eigenlijk niet nieuw, het thema was reeds aan de orde in Freuds Entwurf (1895a), maar nu wordt de inertie naar voren geschoven als de kern van de levensbedreigende doodsdriften. Freud schrijft over de doodsdrift dat deze traag is, stom en nauwelijks waarneembaar (1923). Hij typeert de doodsdrift verder ook nog als een passief verzet tegen elke verandering, als een stille drang om terug te keren naar de toestand van voor het leven, toen alles