You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In de psychoanalytische wereld bestaat een sterke behoefte om meer wetenschappelijk aanzien te verwerven door aansluiting te zoeken met andere disciplines, met name met de neurowetenschappen. Neuropsychoanalyse vormt sinds ongeveer twee decennia een mogelijke garantie voor psychoanalyse als onderzoek- en behandelmethode om te overleven in een op evidentie gerichte geestelijke gezondheidszorg. Dit sluit aan bij een bredere maatschappelijke trend van meten is weten en weten is meten, waarbij het individuele en unieke zoveel mogelijk gegeneraliseerd, het subjectieve geobjectiveerd, en de betekenis verklaard moet worden. Het is in ultimo een reductionistische beweging waarbij de hersenen de basis en ook de verklaring zullen vormen voor de geest en het denken. Met andere woorden, de geest en het bewustzijn zijn herleidbaar tot specifieke hersenprocessen. Van dit tijdschrift is recent een themanummer verschenen over neuropsychoanalyse. Met uitzondering van Niers (2014) die ingaat op het werk van Mooij (2006) is er weinig aandacht voor de epistemologische onderbouwing van de neuropsychoanalyse. In dit artikel laat ik zien dat deze theoretische basis wankel is en ook zal ik ingaan op kansrijkere alternatieven, die de psychoanalyse meer waarderen als autonome geesteswetenschappelijke discipline.
Wanneer we in staat zijn om gedrag te herleiden tot specifieke hersenprocessen verandert psychoanalyse in neuroanalyse. Elk gedrag kan geëxpliciteerd worden tot op cellulair niveau. Er zijn dan enkelvoudige neuronen causaal verantwoordelijk voor een specifieke (representationele) taak. Dit neuron vuurt en representeert op enig moment een bepaalde zintuiglijke sensatie, zoals het beeld van een bepaald persoon. In de literatuur wordt dit wel de « grootmoedercel » of ook het Jennifer Aniston-neuron genoemd, naar een bekende actrice (Quiroga e.a. 2008). Een patroon van actuele neurale activiteit koppelen aan een typische ervaring, zoals een beeld of voorstelling, is echter onm