You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Naar het idee van Andreas Hamburger, samensteller van een bundel over genderconstructies in Jean Cocteaus La Belle et la Bête is dit «puur poëtische filmsprookje» uit 1946 een sleuteltekst in de westerse cultuur. In een zeer uitvoerig essay traceert hij de herkomst van allerlei motieven — van het oudtestamentische verhaal over Jephthahs dochter en Apuleius' Amor en Psyche tot aan fresco's van Raphaël en een beroemde vertelling door Jeanne-Marie Leprince de Beaumont — en constateert vervolgens dat Cocteaus versie een fundamentele verschuiving in gang zet. In de opvoedkundige literatuur uit de achttiende eeuw had de dramatische ontwikkeling van het meisje Belle centraal gestaan, maar in Cocteaus naoorlogse film vormen dierlijkheid en mannelijke schoonheid de kern. Niet voor niets wordt de rol van het beest/de prins vertolkt door de allerwegen als aantrekkelijk beschouwde acteur Jean Marais.
Door de verschoven aandacht naar mannelijkheid is Cocteaus La Belle et La Bête een ideale casus om de gangbare genderrollen om te keren. Het moet niet langer gaan om de man als drager van de blik en de vrouw als spectaculair object, zoals Laura Mulvey in 1975 het basisstramien van narratieve cinema kenschetste, maar om «vrouwen en manbeelden». Hamburger gaat in zijn inleiding wat kort door de bocht als hij suggereert dat feministische filmtheorie te zeer in een impasse is blijven steken, omdat zij geen bevredigend alternatief heeft weten te bieden voor de positie van een vrouwelijke kijker. Het debat is te zeer gericht geweest op de «female gaze» als concept, waardoor (persoonlijke) kijkervaringen zijn ondergesneeuwd. Door vrij baan te geven aan die ervaringen, zo meent hij, kan mannelijkheid als dominante constructie beter ondermijnd worden. Hoewel Hamburger in zijn artikel de wijze waarop Cocteau zich als dandy-dichter presenteerde op de film betrekt, benadrukt hij dat hij geenszins diens persoonlijke onbewuste wil blootleggen. Maar door de publieke status van Cocteau en Marais te