You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Tijdens de laatste herfstvergadering van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie over euthanasie kwam een jonge vrouw met een indrukwekkende levendigheid getuigen over ondraaglijk psychisch lijden en haar euthanasieverzoek (De Schutter 2016). Dit verhaal maakte een grote indruk op mij. Ze voelde zich ontgoocheld, omdat er onvoldoende gehoor is gegeven aan haar wens naar een goede dood en daarnaast is er niet voldoende geluisterd naar haar angst voor een vernietigend leven. Zijn wij, psychoanalytische therapeuten en psychoanalytici, in staat onbevangen te luisteren naar doodsthema's en doodse verhalen?
Er is in ons Tijdschrift geen gebrek aan artikelen over de doodsdrift, denk maar aan auteurs die hierover boeiend hebben geschreven, zoals Kappelle, Thys, Verbruggen, Van Coillie en De Vleminck.
Doodsangst daarentegen is een onderwerp waar psychoanalytische auteurs niet vaak over schrijven. Quin van Dam is wat dit betreft een uitzondering. Hij benadert het thema vanuit een existentieel psychoanalytisch oogpunt. Zijn artikel brengt mij tot enkele reflecties over doodsangst. We onderhouden een paradoxale relatie met de dood: we weten dat wij sterfelijk zijn en tegelijkertijd kunnen wij dit toch niet geloven. Door het doodsbesef zijn we fundamenteel angstige wezens. Deze existentiële angst is de motor van ons verlangen, dat in wezen een verlangen naar onsterfelijkheid is. We reageren in eerste instantie niet met angst op het doodsbesef, maar met stomme verbazing: wat wij beseffen is tegelijkertijd allesvernietigend, absoluut onaanvaardbaar, volstrekt onbegrijpelijk en toch waar. Tegen het doodsbesef reageert onze levensdrift met de constructie van een fantasie van onsterfelijkheid die de kern vormt van het onbewuste. De dood tart alle verbeelding. De dood is immers het onnoembare bij uitstek, het punt waar alle zin in onzin omslaat (Van Coillie 2004).
Vervolgens denk ik aan het werk van Langs (1997) die twee types van doodsangst onderscheidt. Enerzijds predatorische doodsangs