You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In het persoonlijk leven van Freud speelde de dood een grote rol. Zijn twee zoons vochten in de Eerste Wereldoorlog aan het front, een dochter stierf op jonge leeftijd en zelf leed hij aan verhemeltekanker. Des te opmerkelijker is het dat hij in zijn theoretisch bouwwerk van de psychoanalyse geen volwaardige plaats toekende aan de dood.
Freud meende dat we de dood wel waarnemen, als toeschouwer, maar ons geen denkbeeld kunnen vormen van onze eigen dood: in ons onbewuste heerst de overtuiging dat we onsterfelijk zijn. Omdat de dood geen onderdeel vormt van de bewuste en onbewuste belevingswereld, kunnen we er ook niet bang voor zijn, veronderstelde hij. En als we toch doodsangst ervaren, dan moeten we die angst begrijpen als een afgeleide of secundaire angst, en als een aanwijzing voor dieperliggende problemen (Freud 1915, Razinsky 2013).
De volgende casus is een voorbeeld van zo'n freudiaanse interpretatie van doodsangst als secundair fenomeen:
Jaap de Bruin is bang om plotseling te sterven. Deze doodsangst hangt samen met de moordfantasieën die Jaap koestert ten aanzien van zijn buurman. Vanuit zijn strenge geweten veroordeelt hij deze agressieve gevoelens: als straf voor zijn agressieve wensen vreest hij zelf dood te zullen vallen. Op die manier vloeit zijn secundaire doodsangst — ik val dood — voort uit een innerlijk conflict tussen zijn primaire woede — val jij maar dood — en zijn strenge geweten.
Freuds opvatting over doodsangst had verstrekkende gevolgen voor de psychoanalytische theorie en de therapeutische praktijk: de primaire of existentiële dreiging van de dood werd niet geïntegreerd als invloedrijke psychische factor in de psychoanalytische ontwikkelingstheorie (Razinsky 2013).
Gezien de ingrijpende invloed van de dood op ons bestaan is dat opmerkelijk. We beseffen immers al vanaf jonge leeftijd dat er een tijd komt dat we er niet meer zijn (Brenner 2010, Kastenbaum 2014). Dit besef van «niet zijn» is bij vrijwel iedereen o