You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Psychotherapeuten die werken met patiënten met borderlineproblematiek, krijgen te maken met een veelheid aan tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Theorieën spreken elkaar tegen, zijn intern niet altijd consistent, en geregeld blijkt de klinische praktijk anders dan de theorie. Kennelijk begrijpen we nog onvoldoende wat de borderlineproblematiek ten diepste inhoudt, ondanks het vele en veelal verhelderende onderzoek dat wordt gedaan. Deze problematiek afdoende behandelen is daardoor lastig. Empirisch onderzoek wijst vooralsnog uit dat de effectiviteit van psychotherapie matig is, en dat er weinig verschil is tussen de verschillende specialistische therapievormen (Cristea e.a. 2017, Leichsenring e.a. 2011).
De psychotherapeut kan, gegeven deze stand van kennis, opereren tussen twee uitersten: een behandelprotocol volgen dat nog in ontwikkeling is en waarvan de effectiviteit onvoldoende vaststaat, of van elke behandeling een gepersonaliseerde N=1-studie maken (vergelijk Schork 2015). Dat laatste betekent: voortdurend nagaan wat de patiënt beweegt (mentaliseren); dit toetsen aan de theorie; deze toetsing benutten om de patiënt nog beter te begrijpen, en ten slotte; de theorie toetsen aan dit (zich ontwikkelende) begrip van wat (borderline)patiënten in het algemeen beweegt. Op deze manier kan de therapeut allengs beter meebewegen met zijn patiënt, maar wordt ook de theorievorming verrijkt.
In de afgelopen veertig jaar heb ik op deze manier gaandeweg een basaal zoekschema ontwikkeld dat niet alleen richting geeft voor mijzelf, maar dat geleidelijk ook aan de patiënt kan worden overgedragen. Het opent de weg naar fundamentele zelfreflectie, iets wat aanvankelijk nog ontbreekt, en helpt zowel mijzelf als de patiënt om te mentaliseren over de therapeutische interactie. Hierbij worden de theoretische concepten zo veel mogelijk gerelateerd aan de innerlijke belevingen van de patiënt, in termen van goed invoelbare objectrelationele dyades, en met gerichte aandacht voor de kern