You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Il n'y a personne et il y a quelqu'un.
(Arthur Rimbaud, Une saison en enfer)
De Franse schrijver en kunstfilosoof Maurice Blanchot schrijft in zijn essay Les deux versions de l'imaginaire over « het ontoegankelijke, waarvan men zich niet kan ontdoen, wat niet te vinden is en wat daarom niet valt te ontwijken ». En dan zegt hij: « Het ongrijpbare is dat waaraan men niet kan ontkomen » (Blanchot 1955, p. 62). Ik benader de menselijke identiteit als zoiets ongrijpbaars waaraan we niet kunnen ontkomen. Ik kan er niet naast, maar ik kan er ook niet bij. Meer zelfs: mijn identiteit is onontkoombaar, precies omdat ze ontoegankelijk is. Onmiskenbaar draag ik of word ik gedragen door een zekere identiteit, maar ik krijg deze identiteit nooit helemaal te pakken. Volgens mij is het precies kenmerkend voor de psychoanalyse om in haar theorie en klinische praktijk ruimte te scheppen voor deze paradox. Deze paradox is even wezenlijk als lastig, en daarom iets om te koesteren: als we hem zouden loslaten, zal ook het eigene van de psychoanalyse ons ontglippen.
Voor zover de psychoanalytische praktijk naast therapie ook altijd onderzoek is, onderzoekt ze de identiteit van het subject in haar particuliere uitingsvormen. Maar wat moeten we onder « identiteit » verstaan, als de psychoanalyse ons leert dat het subject niet alleen niet identiek is aan de ander maar evenmin aan zichzelf? Precies daar, bij het subject, waar de identiteitsnotie pas recht van bestaan krijgt, zich zelfs als noodzakelijk opdringt, krijgt ze moeilijk vaste voet aan de grond. Maar de psychoanalyse waagt zich in het moeras van de subjectiviteit. Wie in verband met de zoektocht naar de particuliere identiteit nattigheid voelt, onder het plaveisel, is op het goede spoor. Meer zelfs: de identiteit is ook die nattigheid.