You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De Duits-Joods-Nederlandse schrijver, psychiater en psychoanalyticus Hans Keilson is afkomstig uit een liberaal-joods middenstandsgezin uit Bad Freienwalde an der Oder, een stadje in het hart van het toenmalige Pruisen.1 Hij studeert medicijnen, totdat al gauw na de machtsovername door de nazi's duidelijk wordt dat hij in Duitsland geen toekomst meer heeft. In 1936 vlucht hij naar Nederland. Hij slaagt erin om zijn ouders te laten overkomen, maar die worden in 1943 gedeporteerd en in Auschwitz vermoord. Zelf overleeft hij de Holocaust als onderduiker.
Na de oorlog kwalificeert hij zich in Nederland als arts, en vervolgens als psychiater, kinderpsychiater en psychoanalyticus bij de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse. Gedurende vele jaren is hij verbonden aan Le Ezrat Hajeled, een door joodse overlevenden direct na de oorlog opgerichte stichting ten behoeve van joodse weeskinderen.
In Nederland voelt Keilson zich « thuis in den vreemde » (2005, II, p. 214-252). Hij leert goed Nederlands, maar blijft dit met een duidelijk Duits accent spreken. Hij voelt zich « ontworteld van zijn eigen taal » (p. 32) en « […] het Nederlands is tot in de diepte van mijn ziel de taal van het overleven […] Overleven is iets anders dan leven » (Keilson 2011b, p. 12). Hij blijft in het Duits schrijven en publiceren. Alle in dit artikel genoemde Nederlandse titels en citaten zijn dan ook vertalingen.
Nadat de gerenommeerde Fischer Verlag in 1933 nog net zijn roman Het leven gaat verder ( I, p. 7-248) heeft kunnen uitbrengen, zet Keilson zijn literaire activiteiten in Nederland voort. Hij publiceert voor en na de oorlog gedichten. In 1947 verschijnt bij Querido — de Nederlandse uitgever van de Duitse literaire emigranten rondom Klaus Mann — een korte roman Komedie in mineur ( I, p. 249-336) en in 1959 volgt De dood van de tegenstander ( I, p. 337-563). Tezamen vormen de romans een trilogie vol autobiografische elementen. Als een epiloog wordt daar in 1968 het korte verhaal Dissonantenkwa