You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In Freiburg vond voor de zesendertigste keer het tweejaarlijkse symposium over literatuur en psychoanalyse plaats, deze keer gewijd aan angst. Deze traditie wordt vormgegeven door een werkgroep van literatuurwetenschappers en psychoanalytici. Naar schatting tweehonderd mensen woonden deze « Tagung » bij.
Als angst volgens Freud het kernsymptoom van de neurose is en voor andere auteurs een fundament van het menselijk bestaan, zou dat dan ook voor de literatuur betekenen dat angst en zijn afweerprocessen er wezenlijk onderdeel van uitmaken? Na een evolutiebiologisch getinte inleiding van Hoffmann, poneerde Pietzcker, emeritus hoogleraar literatuurwetenschap en een van de founding fathers van deze symposia, de stelling, dat er zonder angstlust zelfs geen literatuur is. Deze verbinding tussen angst en lust werd door hem geïllustreerd middels Balint, die de combinatie van het (durven) verlaten van een veilige zone en het aangaan van een uitdaging, met voldoende zekerheid om weer terug kunnen keren, als basis voor een dergelijke angstervaring zag. Al bij het beroemde Fort-Da-spel constateerde Freud dat het onlustkarakter van een belevenis deze niet altijd voor het spel onbruikbaar maakt. Eveneens volgens Freud kan de toeschouwer zich bij de tragedie lustvol identificeren met de held en zich tegelijkertijd gezekerd voelen; en Schiller meent dat men genoegen kan beleven aan het verhevene, morele, als een overwinning van verschrikkelijke affecten. Literaire afweerprocessen kunnen dienen om de angstlust juist gemodereerd (angekitzelt) toe te laten.
De vraag is of lezen altijd een feest is (Barthes) en of angstervaringen als nameless dread (Bion) in literatuur te representeren zijn. Lukt dat wel in andere (artistieke) vormgevingen, zoals de zwarte bladzijde in Tristram Shandy, of in de film? Hoe angst als grondstemming ons onlosmakelijk en confronterend verbindt met onze existentie, werd uit de doeken gedaan door Holzley, die daarbij sterk steunde op Heidegger.
Vervolgens analyse