You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De vier auteurs van het Handboek persoonlijkheidsstoornissen, twee psychiaters en twee klinisch psychologen, zijn allen experts op het vlak van wetenschappelijk onderzoek bij persoonlijkheidsstoornissen. Ze waren ook betrokken bij de totstandkoming van de Multidisciplinaire richtlijn persoonlijkheidsstoornissen, bij de Zorgstandaard persoonlijkheidsstoornissen en de Generieke module psychotherapie. Het Handboek persoonlijkheidsstoornissen is geschreven vanuit de Nederlandse ggz-context. Bij de beschrijving van de verschillende persoonlijkheidsstoornissen volgen de auteurs consequent de DSM-5-classificatie. Nieuw is dat er veel aandacht wordt besteed aan het alternatieve, dimensionale model voor persoonlijkheidsstoornissen dat nog niet in gebruik is. Tot op heden wordt in de klinische praktijk nog steeds gebruikgemaakt van het al langer bekende model van de DSM-IV. Voor psychoanalytische therapeuten en psychoanalytici is het wel belangrijk om kennis te nemen van het alternatieve DSM-5-model, omdat dit beter aansluit bij hun manier van werken. Er is oog voor de vloeiende overgang van normaliteit naar pathologie, omdat met de mate van ernst van de pathologie rekening wordt gehouden. Het alternatieve DSM-5-model onderscheidt twee kerncomponenten van de persoonlijkheid: het Zelf en het Interpersoonlijk functioneren. Elk van de twee kerncomponenten bestaat uit twee elementen: bij het Zelf zijn dat Identiteit en Zelfsturing. Bij het Interpersoonlijk functioneren zijn dat Empathie en Intimiteit. In het nieuwe model worden persoonlijkheidstrekken op vijf domeinen onderscheiden: negatieve affectiviteit versus emotionele stabiliteit, afstandelijkheid versus extraversie, antagonisme versus altruïsme,