You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Je hebt in de psychoanalyse twee pijlers: de klinische, die empirisch waarneembare verschijnselen beschrijft en de metapsychologische die daarachter (min of meer speculatief) werkzame wetmatigheden vooropstelt. De ene is experience-near, de andere experience-distant. Sommige psychoanalytici verwijlen bij voorkeur in het eerste, andere in het tweede domein. Toch dienen ze idealiter samen te gaan. We kunnen mensen immers alleen goed helpen als we ook de fundamentele werking van hun geest kunnen bevatten. Dit vergt naast een ideografische steeds een nomothetische insteek. Vrij naar Marx is trouwens niets praktischer dan een goede theorie.
We zijn als psychoanalytici allemaal goed vertrouwd met het primaire- en het secundaire-procesdenken. Het primaire proces is dat wat ons droomleven c.q. ons onbewuste domineert. Er is een vrije flux van energie en een associatieve keten waarin verdichting en verschuiving een sleutelrol spelen. Het lustprincipe is daarbij een soort thermostaat. Levende wezens zijn negentropisch en streven qua spanning niet naar zero, maar naar constantie. Het secundaire proces is dat van het bewuste denken: talig en rationeel, beantwoordend aan een aristotelische logica. Hier blijft het lustprincipe werkzaam, maar het wordt opgetild naar het realiteitsprincipe dat in haar verlengde ligt. In zijn metapsychologische tekst over het onbewuste maakt Freud verder onderscheid tussen onbewuste, voorbewuste en bewuste. In die over de verdringing maakt hij verschil tussen de oer-verdringing en de eigenlijke (na)verdringing. In het eerste geval zijn inhouden op geen enkel moment bewust geweest. Hun werd vanaf onze vroegste ontwikkeling de opname in het bewuste ontzegd. Zij komen niet in verhaal, maar hun voorstelling en lading blijven onveranderd voortbestaan en blijven hun beslissende stempel drukken. De tweede fase van de verdringing heeft betrekking op gedachtegangen die met de oorspronkelijke associatief verstrengeld zijn. Daarom ondergaan ze hetzelfde lot als