You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
De roman Der Trafikant, in 2012 geschreven door Robert Seethaler, die in 2017 naar het Nederlands vertaald is als De Weense sigarenboer en waarvan de Duitse verfilming onder de titel The Tobacconist in 2020 aan het Nederlandse publiek is vertoond, vertelt over de vriendschap van een jongen met de grondlegger van de psychoanalyse in diens laatste jaar in Wenen. Het verhaal gaat niet over een psychoanalytische behandeling, maar laat wel zien hoe psychoanalytische kennis bijdraagt aan een gezonde ontwikkeling.
In de korte periode dat in het afgelopen jaar bioscopen toegankelijk waren — met comfortabel veel ruimte tussen de bezoekers — heb ik de film twee keer bekeken: een keer voor het lezen van het boek, een keer erna.1 Franz Huchel is maagdelijk 17 en vaderloos als hij door zijn moeder naar Wenen wordt gestuurd om er te werken in de sigarenwinkel van Otto Trsnjek. Het is dan oktober 1937. De nazi's rukken op, het antisemitisme in Wenen neemt toe. De roman eindigt in juni 1938, als de Anschluss van Oostenrijk aan nazi-Duitsland een feit is en de Gestapo oppermachtig in Wenen. Tegen die achtergrond leren we Franz kennen als een vriendelijke, schrandere jongeman.
Groeiend naar volwassenheid zoekt hij zijn weg: in de separatie van zijn moeder, in zijn seksualiteit, met zijn agressie en in zijn orientatie op de wereld. Het zijn de bekende ontwikkelingstaken. Aanvankelijk komt Franz ons weinig krachtig voor: hij laat zich zonder effectief weerwoord sturen door mama. Als kijker gun je hem een vriend. En gelukkig: hij wordt geholpen door Otto, die hem maatschappelijk bitwijs maakt: « Lees de kranten. Allemaal. Elke dag. » Ook wordt hij geholpen door Freud, een gewaardeerde vaste klant van Otto. Tussen Freud en Franz ontstaat vriendschap: de twee zijn graag in elkaars gezelschap. Franz legt aan Freud zijn aarzelingen en vragen voor als het gaat om liefde en seks. En Freud verheugt zich over « das frische, kraftvolle und obendrein noch ziemlich unbedarfte Leben » in de jonge Fra