You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Je kunt een mens alleen maar begrijpen als je weet welk verhaal hij over zichzelf aan zichzelf vertelt. Zoveel had ik van de psychologie al wel begrepen toen ik als student De bekentenissen van Zeno in handen kreeg. Over twee jaar is het honderd jaar geleden dat Italo Svevo zijn roman La coscienza di Zeno voltooide. In 1964 werd de Nederlandse vertaling van Jenny Tuin gepubliceerd, en in 1974 werd deze herzien. Ik bemachtigde de pocketuitgave. In 2008 voegde H.J.A. Hofland zijn lezenswaardige nawoord toe in de mooie en prettig hanteerbare versie die Athenaeum — Polak & Van Gennep bezorgde.
In De Revisor van 1975 voegt Nicolaas Matsier het Triëst van Svevo toe aan het Dublin van Joyce, het Praag van Kafka en het Cambray van Proust. En gelijk heeft hij! Het boek werd in een survey onder honderd hedendaagse auteurs uit vierenvijftig landen gerekend tot de honderd beste boeken van de wereldliteratuur, zo vond ik op Wikipedia. De roman is geschreven in de vorm van de aantekeningen die de hypochondere Zeno Cosini op advies van zijn analyticus maakt rondom zijn grootste probleem: zijn onvermogen om het roken te laten. Zijn analyticus maakt uit wraak om de afgebroken behandeling het verhaal van zijn patiënt publiek, zo leert ons het Voorwoord. Plaats van handeling is, zoals gezegd, Triëst in Noord-Italië. Het jaar is 1915. De Eerste Wereldoorlog nadert de stad.
Zeno — Italiaans voor « vreemdeling » of « buitenlander » (Minerbi Treitel, 1971) — is geen aantrekkelijk mens. Hij is een onsuccesvol zakenman, getrouwd met de lelijke zus van de mooie vrouw die hij aanbidt maar niet kan krijgen. Maar Zeno is me wel sympathiek. Sympathiek gewórden moet ik zeggen, door zijn ironie en humor (die veel groter is dan die van Leopold Bloom in Ulysses en van Marcel in À la recherche du temps perdu). En sympathiek geworden door zijn pogingen tot eerlijkheid.
De verhouding tussen literatuur en de psychoanalytische theorie is innig en wederzijds stimulerend, dat weten we al geruime tijd (Moloney