You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
Harry Stroeken (1940-2021) heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten. Hij combineerde zijn psychoanalytische behandelpraktijk met onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse psychoanalyse en de personen die daarin een prominente rol speelden. Hierover publiceerde hij in vaktijdschriften en in uitgaven voor een breder publiek (onder andere Stroeken 1997). Ook casuïstiek had zijn aandacht, en in de eerste plaats gold die de patiënten van Sigmund Freud. In Freud en zijn patiënten (Stroeken 1985) leren we Dora, kleine Hans, de Rattenman en de Wolvenman kennen als de personen die zij waren, als context voor hun door Freud beschreven problematiek en behandelverloop. Maar ook zelf publiceerde Stroeken over enkele van zijn patiënten, en via het lezen van deze gevalsstudies krijgen we een mooi inkijkje in hoe hij zelf als analyticus te werk ging.
Renate Ruysz kwam bij Stroeken in analyse tijdens haar studententijd, in verband met separatieproblematiek onderliggend aan een ernstige eetstoornis (Stroeken 1990). Deze casus illustreert prachtig hoe liefde diep verborgen kan liggen onder haat, agressie en wantrouwen, en hoe belangrijk het is voor de patiënt dat de analyticus deze afweer, deze negatieve overdracht — « Soms moet ze mij kleineren door me af te schilderen als de klokkenluider van de Nôtre Dame » — rustig op zich af laat komen, absorbeert en ontgift.
Want uiteindelijk moet ook Renate toegeven: « Ik kom hier liever dan me lief is. » Al is dat dan nog « […] een vervelend aspect […] ik kan het proces niet gewoon zelf besturen » (Stroeken 1990). Opmerkelijk in deze analyse is dat het thema seksualiteit pas aan de orde komt als de eigenlijke analyse al wordt afgebouwd met één sessie per week vis-à-vis, en dan vooral in een geheime correspondentie met een oudere en voor patiënte onbekende man, waarover vervolgens aan Stroeken wordt gerapporteerd. Stroeken geeft toe dat hij deze manoeuvre van zijn patiënte niet goed begrijpt. Hij beschrijft deze wel, in ontwapenende openh