You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
« Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel — vervloekt is hij!»
De apostel Paulus in zijn brief aan de Galaten (Nederlands Bijbelgenootschap 2004, p. 261).
In hun monumentale bestseller Het begin van alles — Een nieuwe geschiedenis van de mensheid rekenen D. Graeber en D. Wengrow (2022) af met de « mythes » van Thomas Hobbes en Jean-Jacques Rousseau over de oorsprong van de ongelijkheid tussen mensen. Hun contrasterende ideeën hebben de wetenschappelijke visies op dit thema eeuwenlang gedomineerd. Hobbes had als uitgangspunt dat de mens vanaf het begin der tijden zelfzuchtig is en voortdurend streeft naar meer bezit en macht ten koste van anderen. In tegenstelling tot de ongelijkheid en « de oorlog van allen tegen allen » die hieraan inherent is, stelde Rousseau dat de eerste mensen in « onschuldige », egalitaire groepjes van jagers-verzamelaars leefden — totdat de landbouw en daarmee het privébezit hun intrede deden.
Graeber en Wengrow richten zich specifiek op de vraag waar de ongelijkheid in politiek en sociaal opzicht toe heeft geleid. Ook Wouter Gomperts, de auteur van De verheerlijking van rancune, zoomt in op dit laatste, nog altijd actuele thema.
Freud beschrijft in Het onbehagen in de cultuur (1930) hoe het maatschappelijk en psychisch inperken van het uitleven van seksuele, agressieve en narcistische aanvechtingen tot « ongenoegen » en neurosen leidt. Gomperts geeft in zijn artikel weer hoe, in een democratische samenleving, rechtvaardigheidsbeginselen en gelijkheidsidealen niet alleen tot gewenste emancipatieprocessen maar ook tot onbehagen, beter gezegd tot regelrecht ressentiment kunnen leiden. Hij neemt hierbij geschriften van de Nederlandse schrijver en cultuurcriticus Menno ter Braak en van de Duits-Britse socioloog Norbert Elias als uitvalsbasis. De eerste stelde dat de democratie uitgaat van een gelijkheid die in werkelijkheid niet bestaat, want mensen zijn sociaal en bi