You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
« Er is een lege plek in mijn herinnering, een ‘niets’, alleen een vaag gevoel van zwaarte en verdriet. »
Wanneer kinderen betrokken zijn bij destructieve gebeurtenissen kan dit voor hen ingrijpende psychische gevolgen hebben. Voor de acute fase van fysiologische en psychologische ontregeling zijn in de eerste plaats neurobiologische en gedragsmatige behandelmethoden geïndiceerd om een minimaal gevoel van controle over lichaam en geest te herstellen (Van der Kolk 2015). Maar wanneer de verdere ontwikkeling verstoord blijkt, dan kan een psychoanalytische behandeling wel degelijk aan de orde zijn. Wat dit laatste betreft, richt ik mij op het vermogen om een verhaal te maken dat de herinneringen aan het gebeurde en de psychische nasleep daarvan kan dragen. Vaak blijft er immers na een traumatische overweldiging een kern van verdriet en leegte bestaan zonder een « ik » dat zich herinnering en beleving eigen kan maken.
In deze kern is het subject — in de zin van een bewustzijn dat zich kent als zelf — beschadigd. Zo beschrijft Lampl-de Groot (1976) op 80-jarige leeftijd in een autobiografische gevalsstudie dat er een gat is in haar herinnering rond het overlijden van een jonger zusje, « haar kind » — en de daaropvolgende depressie van haar moeder — toen zij zelf 6 jaar oud was. Er resteert een vaag gevoel van zwaarte en verdriet. Een narratief is slechts voorhanden in de vorm van een herinnering aan een terugkerende droom. « Ik keek naar de klok (ik had net klok leren lezen), maar ik las deze verkeerd af. Ik dacht dat het een uur later was en was helemaal van streek omdat ik dan te laat op school zou komen » (p. 273). Zij interpreteert dit als de uiting van een innerlijk conflict tussen het triomfantelijke gevoel te leven en een gevoel van schuld waar zij haar levenslange neiging tot depressie aan toeschrijft.