You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
« Wie groß ist die Gefahr
Wie schwach der Hoffnung Schein!
Sie liebt mich, es ist klar,
O namenlose Pein! »
(Leonore in akte 1, 4)
Mijn naam is niemand. Niemand werd ik steeds genoemd door vader, moeder, al mijn makkers.
(Odyssee 9, 366-367)
Je congnois tout, fors que moy mesmes.
(François Villon)
Fidelio, Beethovens enige muziekdrama (1805-1814), gaat door voor een uitgesproken politieke opera.1 Het libretto gaat terug op een waargebeurd verhaal uit de tijd van de Franse Revolutie waarbij een jonge Parijse, Léonore Doazan, erin slaagt haar echtgenoot, een politieke gevangene, te bevrijden uit de kerkers van een perverse machtswellusteling.2 In Beethovens opera heet de vrouw nog steeds Leonore, maar is de handeling naar (het niet-revolutionaire) Spanje verplaatst. Leonore vermomt zich er als man, als Fidelio, om zodoende in dienst te kunnen treden bij de perverse don Pizarro, « Gouverneur eines Staatsgefängnisses ». Om redenen die de toeschouwer niet duidelijk worden gemaakt houdt hij Florestan, Leonores echtgenoot, gevangen. Wat de toeschouwer wél weet, is dat don Pizarro Florestan in het geheim, want onwettig, gevangenhoudt — dus zonder medeweten van zijn leidinggevende, in casu « Minister » don Fernando. Als don Pizarro verneemt dat die laatste een inspectieronde maakt in zijn district en elk moment ook zijn gevangenis kan aandoen, wil hij de geheime
gevangene voorgoed uit de weg ruimen. Leonore/Fidelio, inmiddels knecht van « Kerkermeister » Rocco, zal erin slagen dit te verhinderen, ook al omdat don Fernando op het juiste moment arriveert en zijn tussenkomst ervoor zorgt dat ook alle andere gevangenen worden bevrijd. Die vormen het koor waarmee Beethoven zijn opera afsluit met een majestueuze ode aan de vrijheid.