You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
1964, een zwart-witfoto: een peutertje kijkt wat angstig en beduusd naar haar oudere broertjes en zusjes die, netjes op een rij geposeerd, alle vier een masker dragen. Carnaval …? Bladerend in een oud fotoalbum van mijn moeder gaf dit kiekje me een lang vervlogen kinderherinnering terug. Ik heb het nooit zo met maskers gehad. Maskerdragers, carnavalsstoeten bezorgen me steevast een onbehaaglijk, onbestemd gevoel …
Deinend op deze kinderherinnering brachten het Ensorjaar 2024 (een eerbetoon aan de 75 jaar eerder overleden Belgische avantgardekunstenaar James Ensor, ) en een bezoek aan de tentoonstelling Maskerade, make-up & Ensor in het MoMu te Antwerpen — een toetje bij het symposium Mode en Psychoanalyse van de Stichting Psychoanalyse en Cultuur — me associërend tot enkele bespiegelingen over het Unheimliche, over de bevreemdende, ongemakkelijke spanning tussen het zichtbare en het verborgene, het vertrouwde en het vreemde, het mooie en het lelijke.
Maar eerst een korte situering. Hoewel Ensor ook marines, interieurs en stillevens schilderde (in feite vormde alles wat hij in zijn onmiddellijke omgeving zag, een inspiratiebron), is hij allicht voornamelijk gekend om zijn «maskerschilderijen» in lelijke, schreeuwerige kleuren. Vaak wordt hij geplaatst naast — tegenover? — die andere Oostendse beeldend kunstenaar Léon Spilliaert met zijn «mooie», ingetogen, bekoorlijke schilderijen, nochtans vaak donkere, nachtelijke taferelen.
In Maskerade, make-up & Ensor wilden de curatoren onderzoeken hoe Ensors iconische oeuvre, hoe zijn ambigue, onheilspellende maskers resoneren met het soms lugubere werk van enkele postmoderne make-upkunstenaars. Hoe vinden zijn ideeën over maskerade, valsheid en bedrog, vergankelijkheid en dood, weerklank bij de hedendaagse «schilders van het gelaat»? In Het Unheimliche (1919) brengt Freud het onrustwekkende in verband met de twijfel of wat men ziet bezield dan wel onbezield is. En ook met datgene wat verborgen had moeten blijven en toch onverwa