You do not currently have permission to view the full text for this document. Please sign in to an account with an active subscription or contact support.
In 1905 schrijft Freud in zijn Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie: ‹De geslachtsdrift is in de kinderjaren dus objectloos, auto-erotisch› (1905a, p. 107, cursivering door Freud). In de editie van 1920 zwakt hij deze stelling af door tussen ‹dus› en ‹objectloos› de woorden ‹niet gecentreerd en aanvankelijk› toe te voegen. Deze kleine toevoeging uit 1920 bezegelt Freuds subtiele maar radicale herschrijving van zijn theorie van de seksualiteit in de opeenvolgende edities van Drei Abhandlungen. Door de latere toevoeging van bijvoorbeeld de verschillende fasen in de seksuele ontwikkeling, de infantiele seksuele theorieën, het narcisme, het oedipuscomplex enzovoort, verlaat Freud (althans schijnbaar) zijn aanvankelijke opvatting van de infantiele seksualiteit als iets auto-erotisch, objectloos en polymorf-pervers, ten voordele van een ontwikkelingspsychologische theorie waarvan het oedipuscomplex de kern en het overwinnen ervan het onbereikbare ideaal vormt (vgl. Van Haute 2002). Hierdoor werden de interne coherentie en contradicties in de eerste editie van Drei Abhandlungen onzichtbaar. Daarom wil ik in dit artikel een aantal intuïties van de vroege Freud onder het stof vandaan halen omdat ze misschien kunnen aansluiten bij de recent hernieuwde aandacht voor de seksualiteit in de hedendaagse psychoanalyse (vgl. Fonagy 2007).
‹De geslachtsdrift is in de kinderjaren dus objectloos, auto-erotisch› (Freud 1905a, p. 107). Uiteraard bedoelt Freud niet dat er een objectloze periode zou bestaan in de kindertijd. Niet het kind is objectloos, maar de seksuele drift in de kindertijd is zonder object. Deze objectloosheid van de infantiele seksualiteit moet wel radicaal worden opgevat: de infantiele seksualiteit heeft niet alleen geen reëel object, ze heeft ook geen fantasmatisch object.1 Deze